als pdf-file adobe-icoon


pijl naar links

Hoe toevallig zijn de dingen?

In het 21ste nummer van ‘Prana’ hebben we uitvoerig geschreven over ‘synchroniciteit’.

We verzoeken de lezer dit artikel nog eens grondig te herlezen en ook te letten op de correctie in nr. 22.

Daar vindt hij de belangrijkste gegevens, die met het vraagstuk van het toeval samenhangen. Er is echter één aspect, dat juist in dit nummer de aandacht verdient, en wel het existentiële aspect.


Beschouwen we nog eens het geval van de man, die bij toeval op een bel drukt. Hij produceert daarbij een geluid, dat bij toeval, maar niet door het toeval ontstaat. Als ik in een mij onbekende ruimte kom, die geheel donker is, en ik vind op de tast de lichtknop, die ik ‘toevallig’ vind, mag ik dan zeggen, dat het licht door het toeval ontstaat?


Wat haast irritant is in de beschouwingen van de meeste hedendaagse biochemici is, dat ze zich niet afvragen: hoe is het mogelijk, dat er materiële elementen bestaan, die zich zo tot steeds hogere en schonere vormen laten ordenen?


Plato onderscheidde reeds drie fasen van realiteit:


a. De wereld der ideeën, die voor hem primair was

b. De wereld der dingen, die van a een afglans was

c. De wereld der abstracties, die weer van b afgeleid werd, en waaraan zich a spiegelt.


Als voorbeeld van b gaf Plato de platanen in de tuin van de Akademie (waar hij dank zij zijn leerling Akademis kon doceren) en als voorbeeld van c gaf hij de abstracties uit de wiskunde. Dat hij deze begrippenwereld niet gering schatte (laat staan geringschatte!) blijkt uit het feit, dat boven de poort van de Akademie stond: ‘Wie geen wiskunde kent, hoeft hier niet in te gaan’.


Maar Plato maakte wel duidelijk in zijn dialogen, dat de begrippen der wiskunde slechts zwakke weergaven waren van de wereld der ideeën. Maar ook de vormen-wereld met haar onvergelijkelijke rijkdom, is niets meer dan een schaduwbeeld van het ideeën-rijk. De ‘grotparabel’ in de ‘Staat’ (‘Politeia’) beschrijft dit op prachtige wijze.


Sinds Aristoteles zijn a en c in de wetenschap en filosofie veelal samengevallen. Daardoor is de linkerhersenhelft de dominante hemisfeer in ons onderwijs geworden.

Gelukkig zijn hierop vele uitzonderingen, zoals Augustinus, Pascal, Kierkegaard, enz. Dikwijls waren het mystici zoals Thomas a Kempis, Eckhardt en Böhme, die de nadruk legden op het irrationele aspect van het leven. Ook voluntaristen (denkers, die de wil centraal stelden), zoals Schopenhauer, Nietzsche, Freud en Assagioli, bestreden het eenzijdige rationalisme. Echter opgevoed in de traditie van het rationalisme, verdedigden zij toch het irrationele in de taal van de rationalisten.


meeuwen Dit geldt ook voor de existentialisten, die in de twintigste eeuw het simpele feit herontdekken, dat de wereld der dingen bestaat. De Duitse filosoof Martin Heidegger noemde dit Existenz-erhellung (verheldering van het bestaan). Zijn leerling Jean-Paul Sartre vertelt in zijn hoofdwerk ‘L’Être et le Néant’(‘Het Bestaan en het Niets’) hoe hij aan het strand staat en meeuwen ziet, en zich voor het eerst realiseert, dat deze meeuwen bestaan, er echt zijn en dat ook hij zelf bestaat, er echt is. En met de volle zwaarte wordt hij zich dan bewust, dat deze existentie eindig is, en dat de ratio dit er-niet-meer-zijn (dus de dood) evenzeer dient te aanvaarden als het bestaan. Het bestaan en het er-niet-meer-zijn zijn onafleidbaar, ergo kunnen ze niet door de ratio begrepen worden.


Het is nuttig er even hier op te wijzen, dat Sartre zowel être (zijn) als exister (bestaan) gebruikt om het-er-zijn weer te geven. Spreekt hij over het abstract zijn, dan gebruikt hij meestal het zelfstandig naamwoord l’essence (het wezen). Vandaar zijn vermaarde uitspraak: ‘L’existence précède l’essence. (‘Het bestaan gaat aan het wezen vooraf’).


We kunnen de Existenz-erhellung vergelijken met satori. Men komt vergelijkbare uitspraken dikwijls tegen bij mystici. Zo zegt de Spanjaard Juan de la Cruce (Johannes van het Kruis): ‘Mij is een groot geluk beschoren, ik heb vandaag de zon zien opgaan’. Een Franse mysticus zegt: ‘Ik ben trots, dat ik de zon heb zien opgaan’. Pallieter zegt: ‘Dank heerke God, dat ge me op aarde geblazen hebt’.


Deze ervaringen doen we op met de rechter hersenhelft, waar ook het gevoel, de intuïtie en het geloof zetelen. Kamer- en laboratorium-geleerden, die deze bestaansbelevenis niet kennen, realiseren zich niet, dat al ons denken zich afspeelt tussen de polen van bestaan en niet-zijn. Zij begrijpen weinig van de uitspraak van Plato: ‘Filosoferen is zich voorbereiden op de dood’.

Wat ‘essentialisten’ (dat zijn niet-existentialisten) over het ontstaan en vergaan der fenomenale wereld zeggen, is geheel forgettable, zij spreken zonder ervaring en inzicht.

Maar ook in de wereld van het existentialisme zijn er verschillen. Er zijn existentialisten (zoals Sartre en zijn leermeester Heidegger), die niet verder komen dan het menselijk onvermogen uit te spreken om de vraag te beantwoorden: ‘Van waar komen we, waar heen gaan we?’. Ze verklaren zich ook als principiële atheïsten.


Maar er zijn ook denkers als Karl Jaspers en Martin Buber, die aanvaarden, dat de mens (met zijn rechterhelft) antwoorden weet op de vragen, die de linkerhersenhelft vergeefs stelt.


Vroeger werd de rechterhersenhelft meestal aangeduid als het hart, wat volgens de Indiërs samenhangt met de 4e chakra, die vlak bij het hart inwerkt, en de chakra van het gevoel is. Houden we ons aan de gangbare indeling van hoofd en hart, dan begrijpen we zeer wel het woord van Pascal: ‘Le cœur a des raisons que la raison ne peut comprendre’ (‘Het hart kent redenen, die de rede niet kan verstaan’).

tyrannosaurus Samenvattend kunnen we stellen, dat iedere wetenschappelijke verklaring, die van de gegeven werkelijkheid uitgaat, als verklaring te kort schiet, als ze zich niet interesseert voor de oorzaak van deze gegeven realiteit. Maar het wordt infaam als men zich dan in het eigen leven volkomen isoleert van de Gever achter die gegeven werkelijkheid. Voor de gelovige mens is het zelfs godslasterlijk als men zover gaat, dat men uit de wonderlijke zelf-vermenigvuldiging van leven en planten besluit, dat er dus geen God nodig is om de wereld te verklaren. Terecht richtte zich hier reeds de verontwaardiging van Pascal tegen Descartes.

Wie het eerste hoofdstuk uit het eerste boek van de Bijbel leest, kan zien dat daar juist de macht Gods zich manifesteert als Hij die in zijn schepping planten en dieren voortbrengt, die zich zelf kunnen reproduceren: ‘Dat de aarde jong groen voortbrenge, zaadgevend gewas, vruchtbomen, die naar hun aard vruchten dragen, welke zaad bevatten, op de aarde’(Genesis 1, vs 11).

Ieder is onder de indruk van het wonder, dat planten en dieren zich zelf voortzetten en zelf evolueren. Als men nu ontdekt, dat dat mysterie van de zelf-reproducering reeds zichtbaar wordt in de anorganische wereld (‘dissipatie-beginsel van Prigogine’), bestaat er dan niet nog meer reden om te geloven in een programmeur, wiens werken ons begrip te boven gaat?

Maar zonder religieuze ervaring, zonder satori, zonder hogere intuïtie, zal ons brein die vraag niet zo stellen en niet zo beantwoorden. Gelukkig, dat ook in de westerse wetenschap een verruiming optreedt, waarin de integrale mens in de wetenschap aan bod komt.


pijl naar links