als pdf-file adobe-icoon


pijl naar links

Een wereld van schone vormen


Als Aristoteles zijn theorie van de oorzaken opstelt, die we hiervóór kort besproken hebben, kiest hij de term eidos als vormgevend beginsel. De scholastici zullen later van causa formalis spreken.

Als bioloog was Aristoteles gefascineerd door de veelheid van vormen in de levende natuur en het ligt voor de hand, dat hij naar een oorzaak zoekt voor deze veelvuldigheid. Interessant is, dat hij daarbij een term koos van zijn leermeester Plato uit een conceptie, die hij als realist juist sterk bestreden heeft.


Plato geloofde namelijk, dat achter de zichtbare wereld een andere wereld bestond, die je niet met zintuigen kon zien, maar slechts kon schouwen.

Het is niet eenvoudig de grootsheid van zijn conceptie kort weer te geven. Hij introduceerde in de wijsbegeerte de term, die nog vruchtbaarder zal zijn dan de ‘logos’ van Herakleitos: idee (vanwaar ook ideaal, ideëel en ideologie). Hiermee vertalen we twee Griekse woorden, die door Plato naast elkaar gebruikt worden: eidos en idea. Beide woorden betekenen oorspronkelijk: beeld, vorm, type, en hangen samen met een werkwoord, dat zowel zien als weten impliceert (Frans voir van Latijn videre, Nederlands weten; in het oudste Grieks luidde eidos: feidos).

De idee is voor Plato het geschouwde, het geziene, dat achter de zienlijke werkelijkheid ligt. Telkens weer met andere beelden heeft Plato getracht dit voor outsiders te benaderen, al komt hij op hogere leeftijd tot de conclusie, dat hij het eigenlijk nooit heeft kunnen uitdrukken: ‘Van mijn hand bestaat daarover geen geschrift, en er zal er ook nooit één zijn, want zegbaar is het op generlei wijze zoals andere wetenschappen’ (7e brief).

Zijn beroemdste verklaring is die van de grotparabel in ‘De Staat’. Men noemt de daar uiteengezette theorie meestal ‘Ideeënleer’, hoewel van een gesloten systeem geen sprake is. Wundt noemde deze conceptie: ‘één der geniaalste en zeker de invloedrijkste filosofische schepping van alle tijden’ en Gomperz beschreef haar als ‘een tovereiland, een in onvergankelijke glans stralend metafysisch gedicht’.


Wat verstond Plato onder een Idee?
Dit legde hij o.a. uit aan de begrippen. Hoe is het mogelijk, dat we tien verschillende eiken alle met het begrip eik aanduiden? Omdat we iedere eik als zodanig herkennen. We kennen als het ware a priori het wezen van de eik en herkennen daarom een bijzondere eik als vertegenwoordiger van de eik.

Zo krijgt de mens uit een stadium van vóór de geboorte (misschien uit het paradijs, oppert Plato) oer-herinneringen mee van het wezen der dingen. Kant zal dit wezen later ‘das ding an sich’ noemen, en nog later spreekt Jung van ‘archetypen’. Maar ook wat Aristoteles de kategorieën noemt, en wat wij waarden en normen noemen, behoort volgens Plato tot de wereld der ideeën.


Het begrip paard is een rationele afschaduwing van de idee paard, de ‘paardheid’ (hippotas). Aristoteles ontkent weer het bestaan der ideeën, hij gelooft slechts in waarneming en denken: ‘Ik zie wel het paard, maar niet de paardheid’.

Maar hij miste de diepte van zijn grote leermeester, die in een visioen achter alles de idee schouwde. Doch de hoogste Idee is de Idee van het Goede, die in God geïncorporeerd is. Het is de diepste oorsprong van alle dingen. Zo werd Plato de stichter van het ethisch idealisme (= theorie van de idee), dat tot vandaag de dag ‘het ideaal’ is van velen, ook van hen, die er geen ‘idee’ van hebben, wie het eerst op die en op de idee gekomen is.


Men heeft eeuwen lang ook kritiek op Plato geleverd, omdat deze conceptie niet verifieerbaar is, maar tegenwoordig voelen we weer de noodzaak aan zuivere hypotheses, die wel speculatief zijn, maar ons de feiten ook in een zuiver licht plaatsen.


Het grootse van de platonische visie is, dat het ons nog steeds de eenvoudigste verklaring geeft van denken en fantasie. Beide processen zijn volgens Plato de verbinding tussen schouwen en waarnemen. Het denken is een poging om het schouwen te benaderen vanuit de waarneming, terwijl de fantasie een poging is het schouwen uit te drukken in de waarneming. Denken is dus abstract gemaakte waarneming, fantasie is de aanschouwelijk gemaakte idee (‘de idee in de zinnen’, zoals Hegel zei). Zowel de filosoof als de kunstenaar pogen de onzienlijke wereld met de zienlijke te verbinden, maar beiden slagen er slechts ten dele in.


Plato werd opgevolgd door zijn geniale leerling Aristoteles (384-322 vóór Chr.), de veelzijdigste denker uit de oudheid. Schiep Plato de filosofie, Aristoteles schiep de wetenschap. Theodor Gomperz heeft gezegd: ‘Plato was diepzinnig, Aristoteles was scherpzinnig’. Daarmee zijn beiden mooi gekenschetst.


Aristoteles, die meer de mentaliteit had van de moderne onderzoeker, kon de visie van zijn leermeester niet meevoelen. Bekend is zijn gezegde: ‘Socrates is me lief, Plato is me lief, maar de waarheid is me meer lief’. Tegenover de ideeën stelde hij de meer abstracte kategorieën, die te vergelijken zijn met onze begrippen.

Maar curieus is, dat hij voor één van zijn kategorieën de term eidos bezigde. Er bestaat hier naar het denkmodel toch een duidelijke overeenkomst met Plato.

Als Plato achter de hippos (het paard) de Hippotas (de idee van het paard) ziet, dan ziet Aristoteles achter dit paard een beginsel, waardoor het paard zijn vorm krijgt. De overeenkomst met Plato is groter dan hij vermoedelijk zelf gedacht heeft.


Na de opkomst van de moderne fysica boet het geloof in vorm-principe steeds meer aan kracht in. In de achttiende eeuw wordt formeel synoniem voor bijkomstig: ‘Dat is slechts een formele aangelegenheid’. Aristoteles zou dit als laster in de oren geklonken hebben.


Maar in de twintigste eeuw zien we hoe men genuanceerder gaat denken over causaliteit (in vele gevallen wordt het starre determinisme geheel vervangen door de waarschijnlijkheidsberekening) en waar men begrip krijgt voor theorieën, die de vorm moeten verklaren. Een schitterend voorbeeld daarvan is de katastrofe-theorie van René Thom (zie inleiding deel C). In tal van wetenschappen wordt met nieuwe ogen naar de vorm gezien.


Naast de katastrofe-theorie kennen we in de methodologie de fenomenologie, het structuralisme, de flou-theorie en de morfogenetische theorie, die het probleem van een andere kant benaderen. De ruimte verbiedt ons binnen dit nummer uitvoerig op deze concepten in te gaan. In de hieropvolgende nummers zullen we er iets meer van zeggen.


Maar naast deze algemene theorieën, die in diverse wetenschappen en technieken kunnen toegepast worden, zijn er ook specifieke vorm-concepties. Vanzelfsprekend heeft de biologie zich altijd met vorm-problemen beziggehouden. Die dienen dan wel onderscheiden te worden van formele problemen, zoals de binaire nomenclatuur (indeling in geslachtssoorten) van Linnaeus. Hier wordt vorm - evenals in de formele wetenschappen, de formele logica en het formele recht - als tegenstelling tot inhoud gebezigd. De inhoud is - zie boven - het wezenlijke, de vorm is het bijkomstige (toevallige, accessoire). Men spreekt ook van de materiële en formele kant van de zaak.


Dat het begrip vorm zo in de hoek gedrukt is, komt door de suprematie van het causale denken. Even nadenken leert ons echter, dat de vorm van het paard veel karakteristieker is dan de inhoud van het dier. We herkennen planten en dieren aan hun vorm, niet aan hun inhoud. Er is dus iets mis met dit woordgebruik. (We komen hierop uitvoeriger terug in ons decembernummer, dat over symbolen handelt.)


Keren we nu naar ons onderwerp terug van zoëven. Het denken over vormen behoort - sinds Aristoteles - tot de kern van de biologie. Dit noodzaakt echter nog niet te geloven in een speciaal vormbeginsel. René Thom heeft dit in onze tijd zelfs trachten aan te tonen.

Opvallend is echter, dat bij bomen vaak een treffende overeenkomst bestaat tussen het boom-silhouet en de bladvorm. Er is geen directe reden, waarom de eikeboom moet lijken op het eikenblad, de beuk op het beukenblad, de den op de dennenappel, tenzij men aanneemt, dat er een causa formalis in de plant werkt.


Een andere benadering van het probleem stamt uit de hoek der geneeskunde. Bekend is hoe bij tumor-vorming amorfe (vormloze cellen) ontstaan. De Deense kanker-onderzoeker Cohen neemt aan, dat carcinoom ontstaat door een verzwakte vorm-kracht. En hij vraagt zich dan af hoe dit verlies weer kan worden opgeheven.


Er bestaan goede gronden om aan te nemen, dat paranormale therapieën hier positief kunnen functioneren. (Wij komen daarop terug bij de inleiding tot de beschouwing van F.J. van der Bosch over het astrale lichaam in het septembernummer, dat over parapsychologie II handelt).

De belangrijkste biologische vorm-theorie komt uitvoerig aan bod in de bijdrage van Dr. M. Sluyser, die reeds eerder voor ons over ‘De toekomst van ons DNA’ schreef. (Prana nr. 12).


De meesten onzer lezers zullen wel gehoord of gelezen hebben van DNA en RNA, de moleculaire bouwstenen van ieder levend organisme. Het is mogelijk langs chemische weg zo de bouw van ons lichaam te interpreteren. Het bouwplan (c.q. programma) ligt opgeslagen in onze DNA-moleculen, die weer deel uitmaken van onze genen.

Maar verklaart dit echt de vorm der organismen? Het zou zeer goed denkbaar zijn robots te construeren, die in staat zijn huizen te bouwen. Wie over geen verdere informatie beschikt, kan nu aannemen, dat huizen bouwen een zuiver mechanisch proces is. Maar wie programmeert de robots? Deze vraag blijft altijd doorklinken in al onze beschouwingen. Het geloof in programma’s zonder een programmeur verdient logisch geen enkele voorkeur boven het geloof in programma’s met een programmeur, behalve voor hen, die moeite hebben aan te nemen, dat een hogere intelligentie dan de zijne achter de hele kosmos staat.


pijl naar links