als pdf-file adobe-icoon


pijl naar links

Scheppende evolutie of Toeval?



Deze paragraaf sluit nauw aan bij de vorige ( = Hoe toevallig zijn de dingen) .

Als we bereid zijn de existentiële factor meer in ons betoog te betrekken, dan wordt de gedachte aan een scheppende kracht achter de wereld der verschijnselen steeds aannemelijker.


Het is de onvoorstelbare verdienste van de Franse filosoof Henri Bergson (wiens voorouders chassidische joden waren), dat hij de oude mythen in een modern gewaad gestoken heeft.

In dit opzicht vertoont hij veel overeenstemming met Socrates, die ook vaak midden in een betoog, waar de ratio niet verder kwam, een oude mythe introduceerde om de redenering af te bouwen.


Het is de fenomenologische methode, die ons hier een stap verder geholpen heeft. Deze denktrant werd geïntroduceerd door Edmund Husserl, die weer leermeester was van Martin Heidegger en Max Scheler. Het existentialisme volgt derhalve chronologisch en logisch op de fenomenologie.


De fenomenologische methode heeft een zeer ruime toepassing gekregen. Vooral in de godsdienstwetenschappen werd de fenomenologie zeer geliefd. Nederlandse geleerden speelden daarbij een grote rol. Boven allen muntte uit G. Van der Leeuw, die 6 stadia in de fenomenologische methode onderscheidde:

1. De fenomenoloog geeft (voorlopig) een naam aan het verschijnsel (bv. gebed, offer, sacrament)

2. Hij schakelt het in zijn eigen leven in om het te doorleven

3. Hij plaatst zich op een afstand, om het meest eigenlijke te schouwen (Wesensschau)

4. Hij zuivert het eigenlijke van het oneigenlijke (reductie)

5. Hij probeert de zin van het geschouwde te verstaan (verstehen)

6. Hij confronteert het met het nog niet begrepene en legt getuigenis af van wat hij heeft geschouwd en verstaan.


In deze zes punten zien we het voortdurend samengaan van beschrijving en verklaring. Steeds dieper tracht de fenomenoloog tot het wezen van het geschouwde door te dringen. Men drukt het wel eens zo uit: de fenomenologie beschrijft de verschijnselen als zodanig.


Een eenvoudig voorbeeld kan dit verduidelijken.
Er zijn in de laatste decennia veel theorieën over het spel ontstaan. Vergelijkt men deze met elkaar, dan valt op dat de fenomenologische beschrijving tracht weer te geven, wat het spel als spel betekent.

Stel dat we voor het opstellen van deze theorie een groot aantal spelende kinderen zouden observeren. We zullen dan bv. weinig aandacht schenken aan de kleur van het haar of de ogen der kinderen, omdat dit voor het begrijpen van wat spel in wezen is, niet ter zake doet. De fenomenologie zoekt steeds naar het ter zake doende, datgene waar het om gaat. (parallel hiermee spraken de Amerikaanse pragmatisten van het relevante.)


Men kan natuurlijk opmerken, dat iedere theorie toch zal proberen te formuleren waar het om gaat. Het verschil is echter, dat andere theorieën dit meestal doen met een verklaringsgrond, die juist buiten de verschijnselen valt.  Als ik bv. met Spencer het spel als een ontlading beschouw, dan verklaar ik het spel daarmee als niet-spel, d.w.z. als biologische ontlading. De fenomenoloog daarentegen verklaart het spel vanuit het eigen wezen. Hij verklaart de verschijnselen al beschrijvend, en legt de nadruk op de speelsfeer.

Daarin overschrijdt de fenomenologische methode ook de verstehende, die eveneens intuïtief begrijpt, maar niet tegelijkertijd beschrijft.


Indien ik bv. iemand hoor stotteren van opwinding, dan kan ik als verstehend psycholoog volstaan met dit gedrag als symptoom van opwinding te interpreteren.  Als fenomenoloog ben ik hier echter niet mee klaar.  Als fenomenoloog moet ik niet alleen het stotteren als een vorm van opwinding duiden, maar ik moet daardoor ook vanuit de omschrijving van het stotteren, achteraf ook beter begrijpen wat opwinding is. Ik moet bv. zeggen, dat deze mens zich zo heeft opgewonden, dat hij in deze opwinding de macht over zich zelf heeft verloren, en daardoor ook zijn greep op de omgeving in woord en daad. Ik verklaar dus niet slechts het stotteren via de opwinding, maar ook de opwinding vanuit het stotteren.


Een beschrijving van de stotterende mens zal er bv. zo uitzien: ‘De stotteraar door verontwaardiging is de mens, die letterlijk geen woorden meer kan vinden uit verontwaardiging. Daarin staat hij naast de stotteraar uit dankbaarheid, die evenmin woorden kan vinden om zijn dankbaarheid te uiten. Verontwaardiging en dankbaarheid ontmoeten elkaar hier in het overweldigende, waardoor de mens zijn greep op de dingen en mensen verliest. Daarom moeten we ook de stotteraar uit gewoonte zien als een mens, voor wie de wereld ongrijpbaar is. Dit blijkt ook uit het feit, dat hij de wereld in haar anders-zijn en haar ongrijpbaarheid nodig heeft om tot stotteren te komen. In de vertrouwde sfeer van eigen wereld wordt hij niet tot stotteren gebracht. Zo onthult het stotteren de spanning tussen de mens, die met zijn woord de wereld beheersen wil en de wereld als tegenmacht, die alle woorden te buiten gaat, en de lopende zin doorbreekt, zoals de hindernis op de weg de lopende gang doorbreekt. In de onvertrouwdheid dezer vijandige wereld beleeft hij alle ‘dingen’ die hij zeggen wil, letterlijk en figuurlijk als object (=het tegengeworpene), voor-werp en gegen-stand’.


Het is apert, dat de fenomenologie hier de literatuur nadert. Alle grote fenomenologen (Hussel, Scheler, Sartre, Merleau-Ponty, Minkowsky) zijn ook meesters van het woord. Omgekeerd constateren we ook de invloed van de fenomenologie op de letterkunde. Beide schijnen elkaar te naderen.


Pas ik nu de fenomenologische methode toe op de levensverschijnselen, dan dringt de creativiteit, die hier achter staat, zich a.h.w. aan me op. Fenomenologisch is het veel plausibeler de natuur als geschapen dan als alleen geëvolueerd op te vatten. Het is de verdienste van Bergson, dat hij een idioom gecreëerd heeft, waar dit tot uitdrukking komt.


Door de begrippen scheppen en evolueren met elkaar te verbinden, heeft hij een filosofie in het leven groepen, die nog steeds als de indrukwekkendste poging beschouwd moet worden om te denken met het hart en te voelen met het hoofd (d.w.z. de wisseling der beide hersenhelften te stimuleren) over de grondvragen van het leven.


pijl naar links