home 01 02 03 04 05 06 07 08 09 10 11 12 13 14 15

9. Er bestaat een legitiem antropomorfisme.

Reeds in de oudheid beschuldigde Xenophanes de Grieken ervan, dat ze goden naar hun beeld schiepen. Men noemt dit antropomorfisme. De filosoof Baco van Verulam (1561-1626) sprak van ‘het drogbeeld van de (menselijke) stam’, ‘het idolon tribus’. Nietzsche zou later zeggen, dat bepaalde gedachten ‘menschlich, all zu menschlich’ waren.


Maar al deze kritische geluiden houden een vermaning tegen het antropomorfisme in, maar verwerpen het niet als zodanig. Wie ziet, dat apen op mensen gelijken (en omgekeerd) kan over en weer zeer legitieme analogie-besluiten opstellen. Het is geen verwerpelijk antropomorfisme aan te nemen, dat apen een hart, een maag en een lever hebben. Het is zelfs juist te vermoeden, dat ze gevoelig, intelligent, inventief, emotioneel en trouw zijn, dat ze eerbied voor hun ouders hebben en veel om hun kinderen geven.


Op een theologisch congres, waar het antropomorfisme (‘God met de baard’) fel werd aangevallen, merkte een oude theoloog rustig op: ‘Maar misschien kunnen we deze menselijke neiging ook verklaren uit het feit, dat de mens inderdaad naar Gods beeld geschapen is (zie ook: ‘hoe toevallig zijn de dingen?’)



Over het probleem van het antropomorfisme is ontzettend veel geschreven, vooral in de Indiase wijsbegeerte. Uiteraard moet de mens God niet vermenselijken, maar hij mag hem ook niet ver-zakelijken en ver-zaken. Is het zinvoller over God als een ‘het’ dan over een ‘hij’ te spreken? Indiase filosofen spreken van ‘tat-purusha’, waarin ze zowel het neutrale als het geestelijk, persoonlijke aspect aan duiden.


Sartre die het godsbegrip afwijst (als een vermenselijking), gebruikt de typisch menselijke term ‘zelf’ voortdurend voor de dingen: en soi, sur soi, enz.
Zonder beeldspraak (metaforen)is geen taal mogelijk.


De joodse theologie leert, dat God geen mens is, en daardoor menselijker dan de mensen, die vaak juist zo onmenselijk zijn.