home 01 02 03 04 05 06 07 08 09 10 11 12 13 14 15

6.  Ieder mag zijn eigen taalsysteem opbouwen.

Het vorige punt voert ons naar een nieuw punt, dat van de taal.
De logicus Carnap heeft indertijd gezegd: ‘Iedereen mag zijn eigen taalsysteem opbouwen’. Men noemt dat wel het tolerantie-beginsel. Het zijn vooral de intuïtionisten (Poincaré), die hierop de nadruk gelegd hebben.


Intuïtionisme wordt ook wel aangeduid als neo-positivisme, omdat het een stap verder gaat dan positivisme. De positivisten hadden namelijk verkondigd, dat het om de feiten ging. Wat is echter een feit? Als iemand een mens doodt, noemt men dat.... ja hoe? Nader onderzoek alleen kan leren of het verweer, doodslag, moord of moord met voorbedachte rade was. Voor een ambtenaar kan het een overtreding zijn, voor een rechter een misdrijf, voor een geestelijke een duidelijk bewijs van zonde, voor een psychiater een agressieve waanhandeling. Welke taal is nu de juiste? Dat hangt af van de vraag, welke taal we hebben afgesproken te zullen gebruiken. Het zou even zinloos zijn te vragen of een draagbare zetel stoel, Stuhl, chair, chaise, silla of kissé heet. Het Nederlandse woord is niet beter dan het Duitse, het Engelse, het Franse, het Spaanse of het Hebreeuwse.


Wie dus feiten beschrijven wil moet eerst de taal afspreken, waarin deze feiten geboekstaafd zullen worden. Dat geldt inzonderheid voor de geesteswetenschappen, maar ook voor de natuurwetenschappen en zelfs voor de wiskunde. Zo blijkt bv. de meetkunde die wij sinds meer dan 2000 jaar geleerd hadden, de euclidische, slechts één mogelijkheid uit vele om de ruimte te beschrijven. De meeste van deze inzichten zijn geboren in de 19e eeuw en hebben toen geleid tot een methodologische revolutie, die de daarop volgende wetenschappelijke en technologische revolutie heeft mogelijk gemaakt. Men ontdekte toen, dat er naast elkaar verschillende logica’s, wiskunden, natuurkunden, enz. mogelijk en geldig waren. Dat gaf eerst heel wat consternatie, want men had altijd geloofd, dat de logica van Aristoteles, de meetkunde van Euclides en de natuurkunde van Newton de enig ware waren.


De vraag of deze of gene taal de juiste is, blijkt een volledige schijnvraag te zijn. ‘Of we de ruimte van het heelal euclidisch of niet-euclidisch beschrijven is even weinig essentieel als de vraag of we onze kamer in meters, in yards of in toises zullen meten’, zegt de grote mathematicus Henri Poincaré. Maar wie bepaalt dan welke symboliek wij zullen kiezen? ‘Louter ‘n afspraak’, zegt Carnap, ‘een kwestie van commoditeit’ (gemak), zegt Poincaré. Maar hij gaat een stap verder dan Carnap. Hij gaat dieper in op het vraagstuk van de keuze. Het is niet alleen een kwestie van gemak, maar ook van intuïtie.

Opnieuw is het zwaartepunt van de wereld buiten ons naar de wereld in ons verplaatst, van Umwelt naar Inwelt.

Het is de intuïtie, die de ene wijsgeer dit, de ander dat uitgangspunt doet kiezen. Het is Henri Bergson die het intuïtionisme tot volle bloei gebracht heeft, door zijn prachtige beschouwing over de verschillende vormen, waarin de intuïtie zich in natuur en cultuur heeft ‘uitgekristalliseerd’.


De leek, die op suggestieve wijze met een theorie geconfronteerd wordt, krijgt hierdoor - dank zij zijn opvoeding binnen een bepaalde religie, die meestal ook poneert  de waarheid te bezitten - het gevoel: ‘zo is het, en niet anders’.


De dialoog tussen aanhangers en verschillende politieke richtingen (bv. een communist en een liberaal) is meestal niet mogelijk, omdat beiden een geheel andere terminologie gebruiken en geloven dat deze objectief is. Het is daarom voor lezers van dit nummer goed te beseffen, dat er culturen zijn, die het woord evolutie zelfs niet kennen. In het bijbels Hebreeuws bestaat er bv. slechts één woord voor evolutie en geschiedenis: tholedoth (zie: ‘In den beginne’).